Pensioen 3e pijler

Pensioen 3e pijler

De derde pijler is vrijwillig, alle inkomensvoorzieningen die mensen zelf treffen vallen hieronder zoals lijfrente, levensverzekeringen en inkomsten uit eigen vermogen. Meestal gaat het om commerciŽle spaarproducten, met of zonder verzekeringselement, met fiscale concessies en beperkingen; voor Nederland zie Lijfrente (Nederland) en Banksparen. De producten in deze pijler zijn bedoeld voor reparatie van pensioenbreuken en -gaten. Deze ontstaan bijvoorbeeld door het veranderen van baan, verblijf in het buitenland of niet deelnemen aan het arbeidsproces. Zelfstandigen en ondernemers zijn volledig aangewezen op pensioenopbouw in de derde pijler. In deze pijler zijn alle pensioenen kapitaalgedekt en georganiseerd via het beschikbare premiesysteem. Nationale en internationale waardeoverdracht is in de praktijk vrijwel niet mogelijk.

In ontwikkelingslanden komt vaak alleen de eerste pijler voor. Een aantal landen heeft een bewust beleid om de tweede pijler niet toe te laten. Voorbeelden zijn Polen, Hongarije en TsjechiŽ. In de overige landen komen alle drie de pijlers voor, maar hebben ze een verschillend gewicht. In Nederland zijn de gewichten ongeveer 50% voor de eerste pijler, 45% voor de tweede pijler en ongeveer 5% voor de derde pijler. In andere landen hebben de eerste twee pijlers vaak (maar lang niet altijd) samen een gewicht van 50%. Het gewicht van de eerste pijler is een politieke keuze. In landen met een communistische geschiedenis is de eerste pijler vaak kwijnend, in Zuid-Europa is de eerste pijler gewoonlijk dominant (70-90%) terwijl in Noord-Europa de eerste pijler rond 40% in beslag neemt. De grootte van de tweede pijler wordt bepaald door wetgeving, traditie en beleid van de sociale partners. Aangezien de derde pijler de minst economisch efficiŽnte manier van pensioen opbouwen is, vormt het een restcategorie.


Meer informatie? Neem contact op




Zoeken